Symboliek

Iconografie en symboliek

Veel van wat er op een icoon te zien is, heeft een symbolische betekenis: de wijze waarop de heilige ( of gebeurtenis) is afgebeeld, de attributen die te zien zijn, het kleurgebruik, de plaatsing van de afgebeelde personen ten opzichte van elkaar, het type kleding dat een persoon draagt, de lichaamshouding, de gebaren van de handen. Als je dit alles niet weet, gaat er veel van de betekenis van een icoon aan je voorbij. Daarom wordt er bij de verschillende iconen in de iconengalerij uitgebreid op de symboliek in gegaan. Hieronder is meer informatie te vinden over de verschillende elementen die een symbolische betekenis hebben.
In het algemeen geldt dat heiligen niet worden niet afgebeeld zoals ze er werkelijk uitgezien zouden hebben of kunnen hebben. Een icoon is geen realistisch portret, maar een afbeelding die iets van het innerlijk van de heilige laat zien, diens persoonlijkheid, aard en levenswijze. Een geestelijke realiteit als het ware.
De personen die op iconen zijn afgebeeld, zijn over het algemeen langgerekt. Heiligen zijn als het ware boven zichzelf, hun menselijke proporties, uitgestegen. De wereld heeft over hen geen macht meer, de lichamelijkheid is overstegen.

Gezichten

Gezichten hebben specifieke kenmerken:

-Grote ogen (Heiligen zien veel)
-Lange rechte neus (Elegant en sierlijk)
-Kleine, gesloten mond (Zij spreken weinig, wat uit hun mond komt is weloverwogen)
-Hoog voorhoofd (Teken van wijsheid)
-Wallen onder de ogen (Teken van wijsheid)
-Rimpels (Teken van wijsheid)
-Er is altijd minstens één oor afgebeeld; de heilige hoort onze gebeden aan

Perspectief

Wat opvalt aan iconen, is dat het over het algemeen tamelijk platte schilderingen zijn, met uitzondering van de weergegeven handen en gezichten. Dit heeft voornamelijk te maken met het toegepaste vormen van perspectief. Er wordt in de icoonschilderkunst namelijk een ander perspectief toegepast dan het centrale perspectief, dat in de westerse schilderkunst gebruikelijk is, en waarbij evenwijdige lijnen in één punt op de horizon samenkomen.
Op iconen wordt vaak het omgekeerd perspectief toegepast, waarbij het verdwijnpunt juist vóór de afbeelding ligt en de lijnen als het ware samenkomen op de plaats van de beschouwer. Soms hebben de voorwerpen op een icoon zelfs allemaal een eigen verdwijnpunt.

Op iconen afgebeelde gebouwen hebben vaak helemaal geen verdwijnpunt. De lijnen ervan lopen evenwijdig. Dit heet parallel perspectief. Er is dan helemaal geen sprake van diepte.

Wat verder ook nogal eens voorkomt, is dat de belangrijkste personen op een icoon groter worden weergegeven dan de minder belangrijke. Dit heet prominentenperspectief.

De toepassing van een of meerdere van deze vormen van perspectief, beïnvloedt mede de uitwerking die het afgebeelde op de kijker heeft. Het draagt ertoe bij dat de afbeelding niet in tijd en ruimte, zoals wij die kennen, te plaatsen is.
Een polje (hogere rand), zoals bij een verdiepte plank, of een passe-partout versterken dit effect. Hiermee wordt duidelijk dat iconen niet de realiteit zoals wij die kennen, weer willen geven. Iconen bieden een kijkje in een andere wereld, in een andere werkelijkheid.

Kleurgebruik

Iconen worden geschilderd in de temperatechniek. Dit betekent dat pigmenten (kleurpoeders, oorspronkelijk van natuurlijke stoffen, tegenwoordig ook synthetisch) worden gemengd met eigeel en azijn en verdund met een beetje water. Pigmenten zijn er in veel verschillende kleuren, elk pigment heeft zijn eigen eigenschappen. Bij het schilderen kunnen deze pigmenten vaak gemengd worden, al zijn er ook pigmenten die elkaar niet verdragen.

Over pigmenten is veel te vertellen. Veel voorkomende aardkleuren (fijngemalen gesteenten), zijn relatief goedkoop, andere moeilijk te verkrijgen verfstoffen heel erg duur. Een voorbeeld van dat laatste is Tyrreense purper, dat uit purperslakken wordt gewonnen, en dat op dit moment meer dan 2400 euro per gram kost.

Purper, dat al in de oudheid werd gebruikt, was (en is) dus zeer kostbaar, een kleur voor keizers en andere hoogwaardigheidsbekleders, kortom een keizerlijke kleur. Volgens de overlevering waren de wandtapijten in de tempel van Salomo van purper, droeg Alexander de Grote een purperen mantel en voer Cleopatra in een schip met purperen zeilen over de Nijl. In het Byzantijnse rijk was het dragen van purper alleen voorbehouden aan de keizerlijke familie. Er stond zelfs een tijd lang de doodstraf op het dragen van purper door anderen. Hieronder is een afbeelding van Keizer Justinianus I (482-564 n. Chr.), gehuld in keizerlijk purper, te zien: mozaïek in de San Vitale, Ravenna, Italië

Voor het afbeelden van Christus, als heerser over het heelal (Pantocrator), was purper wel toegestaan. De zo kostbare bruinrode, paarse kleur werd bij Christus-iconen bij het onderkleed toegepast. Dit om zijn goddelijke natuur weer te geven. Zijn bovenkleed is blauw, kleur van de menselijkheid. Tijdens het concilie van Efeze in 431 werd besloten dat Maria, als de Moeder Gods, en ook haar moeder, Anna, met een purperen mantel mochten worden afgebeeld.Maria draagt een blauw onderkleed, als teken van haar mens-zijn. Overigens wordt purper op iconen meestal nagebootst door het mengen van rood met andere pigmenten, bijvoorbeeld een beetje zwart.

Ook de overige gebruikte kleuren hebben veelal een symbolische betekenis.

-Rood staat voor het leven, de liefde, maar ook voor het bloed van de martelaren, die dan ook vaak een rood kleed dragen.
-Blauw is de kleur van zuiverheid, vroomheid, het paradijs, de hoop, de hemel. Tevens is het een menselijke kleur. Op iconen van Christus is zijn blauwe bovenkleed het symbool voor zijn menselijke natuur. Het rode of purperen onderkleed betekent dat Christus in de eerste plaats een goddelijke persoon is, die mens is geworden. Bij zijn moeder Maria, is het omgekeerd. Zij draagt een blauw onderkleed en een purperen mantel, want zij is een mens die deel heeft gekregen aan de goddelijkheid van haar zoon.
-Wit, oker en goud zijn weerkaatsingen van de goddelijke zonneglans. Vaak zijn achtergronden op iconen van bladgoud voorzien of in deze kleuren geschilderd. Iconen laten de beschouwer een glimp opvangen van een andere wereld, een wereld van het goddelijk licht. Daarom worden iconen ook wel 'vensters op de eeuwigheid' genoemd.
-Zwart is de kleur van de dood, van de hel en het ‘versterven’ van monniken van de wereld. Zij worden daarom vaak met een zwarte mantel afgebeeld.

Aureolen

Sinds de vijfde eeuw wordt in de christelijke kunst door middel van een stralenkrans (ook wel ‘nimbus’ of ‘aureool' genoemd) aangegeven dat een afgebeelde persoon heilig is. Dit gebruik stamt uit het oude China en India, waar goden met een nimbus werden afgebeeld. Ook de zonnegoden uit de oudheid, Mithras, Apollo en Helios, waren getooid met een stralenkrans. Een gebruik dat later, toen de Romeinse keizers een goddelijke status verwierven, ook bij het afbeelden van keizers werd toegepast.

In de christelijke kunst werden aanvankelijk alleen de heilige Drie-eenheid (Vader, Zoon en Heilige Geest) en engelen van een aureool voorzien. Dit breidde zich later uit tot apostelen en heiligen. Het aureool is meestal van bladgoud (of bladzilver). Het is een cirkel, zonder begin en eind, symbool van God. Absoluut rond, zoals ook God absoluut is. Dit om aan te geven dat een heilige een een aan God welgevallig leven geleid heeft en daarom op God gelijkt.

Christus wordt altijd afgebeeld met een kruisnimbus, waarvan 3 armen achter zijn hoofd zichtbaar zijn. De (rode) dubbele lijnen aan één kant symboliseren zijn twee naturen: hij is én menselijk én goddelijk. In dit aureool zijn altijd de letters 'O ω Ν (Ho OO N) aangebracht, wat betekent: ‘Hij die Is, De Zijnde’.

God heeft, als hij is afgebeeld (wat niet zo vaak voorkomt) een achtpuntige ster als aureool, waarvan 7 punten zichtbaar zijn. Deze 7 punten zijn het symbool van de zeven dagen van de schepping; de achtste, onzichtbare punt is het symbool van de eeuwigheid.

Heiligen en apostelen hebben een ronde aureool, zonder tekens of letters. Wel kunnen de aureolen versierd zijn of (deels) glad gepolijst (polimentvergulding), zoals bij onderstaande icoon van de heilige Xenia. ---Meer over vergulden vindt u hier---.

Tenslotte zijn er ook amandelvormige stralenkransen, die de Moeder Gods of Christus geheel omgeven. Een mandorla komt voor op iconen van het Ontslapen van de Moeder Gods (zie afbeelding hieronder) Hemelvaart, de Transfiguratie op de berg Thabor en de Majestas Domini.

Hand- en armgebaren

De hand- en armgebaren van de afgebeelde heilige personen hebben veelal een symbolische betekenis. In de loop van duizenden jaren heeft zich een gebarencanon ontwikkeld, waarvan de betekenis vaststond en door de gelovigen werd begrepen. Zo zijn bijvoorbeeld de volgende zegenende gebaren te onderscheiden:

Het tweevingerkruis, waarbij ringvinger en duimtop elkaar raken, was van oorsprong een Byzantijns zegenend gebaar en werd in Rusland rond 1000 na Christus overgenomen. De twee vingertoppen die elkaar raken, zijn een verwijzing naar de dubbele natuur van Christus (én menselijk én goddelijk)
Hierbij wordt het Christusmonogram nagebootst als I X C, de I door de pink, de gebogen ringvinger en de middelvinger daarachter vormen de X, de lijn van wijsvinger naar duim de C.

Bij het vijfvingerkruis raken de toppen van duim, ringvinger en pink elkaar en staan symbool voor de Drie-eenheid, de wijs- en middelvinger zijn gestrekt en staan voor de dubbele natuur van Christus.

Verder komt ook nog een Griekse zegenend gebaar voor, waarbij de ringvinger in de door de duim en pink gevormde opening schuift, terwijl de gebogen middelvinger de gestrekte wijsvinger kruist.

Soms is op iconen, vaak in de linker of rechter bovenhoek, een hemelsegment te zien, waaruit de zegenende rechterhand van God (Dextra Domini) tevoorschijn komt.

Bij het voorbedegebaar zijn beide handen naar voren gestrekt, dicht bij elkaar. Op deze wijze vraagt de afgebeelde (op de afbeelding de Moeder Gods en Johannes de Doper) aan Christus om vergeving voor de zonden van de mensheid.

Uit voorchristelijke tijden stamt de zogenaamde orante-houding, een gebedshouding waarbij iemand staand is afgebeeld, de armen naar boven uitgestrekt met de handpalmen naar voren. Bijvoorbeeld bij iconen van de Moeder Gods van het Teken.

Een treurend gebaar bestaat eruit dat het hoofd in de rechterhand is gelegd, die weer door de linkerhand ondersteund wordt. Treurnis wordt ook uitgedrukt doordat de wang of de kin met de hand wordt aangeraakt, zoals Johannes doet op de iconen van de Kruisiging.

In de Oudheid was het gebruikelijk om bij een ontmoeting met hoger geplaatste personen de handen in de kleding te verbergen, als teken van eerbied. Dit is ook vaak op iconen te zien, zoals bij de engelen op een icoon van de Doop in de Jordaan.

Aposkopein is een houding van gespannen verwachting, waarbij de hand naar het voorhoofd is gebracht. Zoals bijvoorbeeld de leerling rechts achter op de icoon van Hemelvaart